januari 31, 2026

Het gaat niet overal slecht: Exxon en Chevron laten zien dat volume weer telt!

#Het gaat niet overal slecht: Exxon en Chevron laten zien dat volume weer telt.

De oliemarkt is de afgelopen maanden in veel commentaren teruggebracht tot één variabele: de prijs. Zakt Brent, dan zakt de winst. Stijgt de prijs, dan gaat het vanzelf beter. Maar de recente kwartaal- en jaarcijfers van ExxonMobil en Chevron laten zien dat dat beeld te simpel is. Ja, de prijswind stond minder gunstig en ja, bij Exxon daalde de winst ten opzichte van het voorgaande kwartaal. Toch wisten beide Amerikaanse olie- en gasreuzen de winstverwachtingen van analisten (op onderdelen) te overtreffen, vooral dankzij iets wat in de sector weer nadrukkelijk centraal staat: productievolume, en dan vooral volume uit de beste, goedkoopste vaten.Daarmee wordt een oud onderscheid opnieuw relevant.

Sommige bedrijven functioneren in de beleving van beleggers vooral als “prijsbedrijf”: de resultaten bewegen sterk mee met de olieprijs en hebben minder interne schokdempers. Andere spelers gedragen zich meer als “volumebedrijf”: zij kunnen in een minder gunstig prijsklimaat toch overeind blijven door de productie op te voeren tegen relatief lage kosten, door efficiëntie, schaal en een portfolio met aantrekkelijke projecten.

Exxon en Chevron proberen de markt ervan te overtuigen dat zij – ondanks hun enorme omvang – steeds meer tot die tweede categorie behoren. Minder olieprijs, meer operatie Lage of dalende olieprijzen werken doorgaans snel door in de upstream: de opbrengst per vat zakt, terwijl een groot deel van de kostenbasis niet even hard meebeweegt. Dat drukt de marges en maakt de discipline rond investeringen (capex) meteen belangrijker. Maar wie extra vaten kan leveren met lage marginale kosten, kan een deel van die prijsdruk compenseren. Precies dat gebeurde hier: hogere productiecijfers, in combinatie met kostenbeheersing en een strakkere investeringslogica, zorgden voor meevallers ten opzichte van de lat van analisten.Voor beleggers is daarbij niet alleen de winst per aandeel relevant, maar ook de kwaliteit van die winst. Komt het resultaat vooral door een meevallende prijs, een incidentele boekwinst of een korte raffinagemargepiek? Of komt het door structurele factoren zoals productiegroei in kerngebieden, lagere kosten per vat, betere planning van onderhoud en een portfolio dat bij lagere prijzen nog steeds cash genereert? De boodschap uit de cijfers: de operatie woog zwaarder dan het prijssentiment.

ExxonMobil: recordproductie, dividendmachine en kostenagendaBij ExxonMobil zat de steun in hogere output en de manier waarop het bedrijf zijn schaal benut. Exxon rapporteerde over het vierde kwartaal van 2025 een lagere winst exclusief bijzondere posten dan in het derde kwartaal, maar het bedrijf bleef fors kapitaal teruggeven aan aandeelhouders (dividend en aandeleninkoop) en verhoogde het dividend opnieuw. Dat dividendverhaal is niet zomaar een detail: Exxon bouwt al decennia aan het imago van “betrouwbare kasstroommachine”, en benadrukt dat die stabiliteit juist in mindere prijsjaren moet blijken.Strategisch draait Exxon sterk op kernregio’s waar de kostenbasis laag is en waar extra productie relatief goedkoop kan worden toegevoegd. In de markt worden vooral het Permian-bekken en Guyana genoemd als groeimotoren die de gemiddelde kostprijs drukken. Het mechanisme is simpel maar krachtig: als een groter deel van je productie uit “goedkope vaten” komt, daalt de break-even en wordt het bedrijf minder kwetsbaar voor prijsdipjes. Extra volumes tellen dan disproportioneel mee in de vrije kasstroom.Daar komt een tweede factor bij: uitvoering. Projecten die op tijd en binnen budget draaien, zijn in deze sector vaak het verschil tussen “mooie belofte” en “echte cash”. Exxon koppelt hogere volumes graag aan een meerjarige kosten- en efficiencyagenda. Niet omdat kosten snijden op zichzelf spectaculair is, maar omdat die combinatie – groei plus kostenbeheersing – de buffer vergroot waarmee dividend en buybacks te dragen zijn.## Chevron: recordvolumes, integratie en geopolitieke hefboom.

Ook Chevron liet zien hoe belangrijk volume is geworden. Het bedrijf boekte een winst per aandeel die boven de verwachting lag, ondanks omzetdruk door lagere olieprijzen. Opvallend was de productiestijging: Chevron kwam uit op recordproductie van rond de 4,05 miljoen vaten per dag, fors hoger dan een jaar eerder. Daarmee wordt de kern van het “volumebedrijf”-argument zichtbaar: zelfs als de prijs niet meewerkt, kan meer output de klap verzachten.Chevron’s verhaal draait daarnaast om discipline. De sector heeft beleggers in eerdere cycli teleurgesteld met dure megaprojecten die pas renderen als de prijs meezit. De lat ligt nu anders: capex moet “betaalbaar” blijven, vrije kasstroom moet groeien, en uitkeringen aan aandeelhouders zijn geen sluitpost maar een kernbelofte. Chevron verhoogde het dividend opnieuw, en koppelt dat aan het idee dat de kasstroombasis structureel sterker wordt.Een extra laag bij Chevron is geopolitiek. Het bedrijf opereert in gebieden waar toegang tot reserves en productie niet alleen een technische, maar ook een politieke vraag is.

In de berichtgeving komt bijvoorbeeld Venezuela terug als mogelijke groeifactor (onder licenties en politieke voorwaarden), naast groei uit grote projecten en internationale assets. Dat maakt dat de markt niet alleen naar de cijfers kijkt, maar ook naar de “opties” die in het portfolio zitten: waar kan Chevron relatief snel opschalen, en onder welke regels?

Waarom volume nu anders is dan vroeger. Dat productie ineens zo centraal staat, betekent niet dat de sector terug is bij “groei om de groei”. Het gaat om selectieve groei: meer vaten uit de beste assets, met lage kosten en een redelijk korte terugverdientijd. Dat is een cruciale nuance. In dat model is volumegroei geen doel op zich, maar een manier om de kasstroom stabiel te houden als prijzen dalen.Daarbij speelt mee dat de energiewereld op meerdere borden tegelijk schaakt. Olie en gas blijven essentieel voor de wereldwijde energievoorziening, maar het investeringsklimaat is ingewikkelder: strengere vergunningtrajecten, hogere eisen rond uitstoot, druk vanuit de energietransitie en steeds kritischere kapitaalmarkten. Grote bedrijven moeten dus projecten kiezen die niet alleen economisch kloppen, maar ook operationeel en politiek “robuust” zijn.

Waar de markt nu op let. Na meevallers als deze verschuift de discussie snel van “wat was de verrassing?” naar “is het houdbaar?”. Analisten zullen de komende kwartalen vooral kijken naar:- **Productie-outlook:** blijft de output stijgen of was het een eenmalige piek?- **Kosten per vat en efficiency:** blijft de marge overeind bij lagere prijzen?- **Capex en projectpijplijn:** komt groei uit topassets of uit dure, risicovolle projecten?- **Vrije kasstroom en uitkeringen:** hoe solide zijn dividend en buybacks door de cyclus heen?- **Mix-effecten:** olie versus gas, en de bijdrage van raffinage/chemie in verschillende cycli.

Conclusie: De cijfers van ExxonMobil en Chevron laten zien dat het in de oliesector niet overal slecht gaat, ook niet als de olieprijs minder meewerkt. Wie zijn productie kan verhogen uit laagkosten-assets en tegelijk kosten en investeringen strak houdt, kan boven verwachting presteren. Voor beleggers is dat een belangrijk signaal: de olieprijs blijft bepalend, maar operationele uitvoering en volumekwaliteit bepalen steeds vaker wie de klap opvangt en wie niet.

.Leetruckers.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *