Deel 2 – Warm weer, koude cabineEr zijn van die dagen dat je al zweet voordat je de sleutel omdraait. Je doet de deur open, zet één stap in de cabine en het voelt alsof je een voorverwarmde oven instapt. Zo’n moment waarop je heel even denkt: misschien had ik toch iets met kantoor moeten doen. Totdat je jezelf herpakt, je broodtrommel neergooit en je weet: nee hoor, ik ben M.G. Chauffeur. Ik ga gewoon weer.Warm weer in dit vak is een aparte discipline. Op papier is het gewoon “zomer”. In de praktijk is het een extra rit erbij, maar dan zonder dat iemand ’m ingepland heeft. Het beïnvloedt alles: je concentratie, je tempo, je humeur en vooral het laden en lossen. Want rijden met airco is één ding. Laden en lossen in 30 graden is een heel ander soort werk.Kijk, onderweg valt het nog te managen. Dan is de cabine jouw eigen wereld. Mijn eigen mini-klimaatzone. En ja: ik gebruik die airco. Zonder schuldgevoel. Vroeger was het stoer om te zeggen dat je “gewoon met het raampje open” reed. Nou, dat raampje open is vooral een droger in je gezicht met warme wind en dieselgeur. Dat is geen koeling, dat is jezelf marineren.Dus wat doe ik? Simpel: airco aan, ramen dicht. Niet op stand “Noordpool”, want dan stap je eruit en lig je met een stijve nek tussen de pallets. Ik zet ’m meestal rond de 21–22 graden. Ventilator niet op orkaanstand, gewoon stabiel. En als de zon echt op die voorruit staat te beuken: zonneklep omlaag, rolgordijntje als het kan, en even recirculatie aan. Niet omdat ik van mijn eigen adem houd, maar omdat die buitenlucht soms warmer is dan de soep van gister.Alleen… het echte werk begint zodra je bij het dock staat.Daar is de airco namelijk ineens niet meer jouw baas. Daar bepaalt het terrein. Daar sta je met je vrachtbrief in je hand, in een fluorescent hesje dat de zon aantrekt alsof het een magneet is, en dan komt de volgende klassieker: “Je mag hier niet stationair draaien.” Prima. Regels zijn regels. Maar dan wel even eerlijk: verwacht dan ook niet dat ik als een frisse vertegenwoordiger uit die cabine stap na veertig minuten wachten in een stilstaande hittebak.En dat wachten, dat is ook weer zo’n ding. Kijk, in de planning heet het “los slot 10:00”. In de werkelijkheid is het “meld je bij het loket, wacht even, ga daar maar staan, we zijn druk, we komen zo”. En “zo” is bij warm weer altijd net iets langer. Want iedereen loopt trager. Heftrucks rijden net iets rustiger. En als er één ding is dat hitte doet, is het dat het alle processen een tandje terugzet. Behalve de irritatie, die gaat juist omhoog.Het mooiste vind ik als je dan eindelijk aan de beurt bent, je deuren open moet gooien, en je in één klap al je opgebouwde koelte de wereld in blaast. Je hoort het bijna ontsnappen. Alsof de airco zegt: “Succes ermee, M.G., ik ben weg.” De warme lucht komt naar binnen, en binnen tien seconden is de cabine weer een sauna met stuur.En dan sta je daar, op zo’n industrieterrein waar de zon weerkaatst op beton, staal en trailers. Geen boom te bekennen. Geen schaduw, behalve die van je eigen wagen, en die verschuift ook nog alsof-ie je expres aan het pesten is. Je loopt heen en weer: papieren, controle, zegels, pallet aantallen. En ondertussen voel je het: je shirt plakt. Je nek brandt. Je drinkt water en het verdampt onderweg naar beneden.Het grappige is: iedereen heeft er last van, maar niemand noemt het. De loodsmedewerker zegt: “Poeh, warm hè.” Jij knikt. Dat is de internationale transportcode voor: “Ja, ik ga dood, maar ik blijf beleefd.” En dan komt er soms eentje met een goed hart: “Wil je een flesje water?” Dan denk ik: kijk, dat zijn de kleine dingen. Dat is vakmanschap op menselijk niveau.Want laten we eerlijk zijn: laden en lossen is in de hitte gewoon zwaarder en ook riskanter. Je wordt slomer in je hoofd. Je let minder scherp op die pallet die net iets uitsteekt, op die heftruck die ineens achter je langs schiet, op die spanband die je met half natte handen vastpakt. En de buitenwereld denkt nog steeds: “Chauffeur? Die zit toch alleen maar.”Nee. Chauffeur zit soms. Chauffeur sjouwt ook. Chauffeur wacht. Chauffeur denkt mee. Chauffeur houdt het hoofd koel, letterlijk en figuurlijk, terwijl de rest van de keten doet alsof het allemaal vanzelf gaat.En dan, als je weer instapt na het lossen, komt dat moment waar je bijna emotioneel van wordt: airco weer aan. De ventilatie die eerst warm stond omdat je de motor uit had, begint langzaam af te koelen. Eerst blaast hij nog een tijdje “opgewarmd dashboard”, daarna komt er eindelijk frisse lucht. Dat is geen luxe. Dat is herstel. Dat is opnieuw kunnen focussen. Want met 40 ton achter je wil je niet met een oververhit hoofd de ring op.Ik vind het altijd bijzonder dat iedereen een mening heeft over airco. “Is dat wel goed?” “Daar word je ziek van.” “Vroeger hadden we dat ook niet.” Ja, vroeger hadden we ook geen files van drie uur op een dinsdag en geen losplaatsen waar je zonder toilet drie kwartier moet wachten. De tijden veranderen. En als je wilt dat chauffeurs veilig rijden, dan hoort een fatsoenlijke cabine erbij. Met airco. Punt.Dus bij deze, namens M.G.: als je deze zomer een chauffeur ziet die even rustig aan doet bij het dock, of die net iets langer in de cabine blijft zitten voordat-ie uitstapt… oordeel dan niet te snel. Misschien is het geen luiheid. Misschien is het gewoon verstandig. Warm weer vraagt om tempo en timing. Niet voor de planning, maar voor het lijf.En morgen? Morgen stappen we weer in. Met water in de deur, zonnebril op het dashboard en de airco als beste collega. Want hoe heet het ook wordt: de handel moet door.greetings M.G.
